Balanceerklasse (ISO 1940-1)

Kort gezegd is balanceerklasse een maat voor de excentriciteit van een roterend gereedschap.
Het bepaalt hoeveel excentriciteit is toegestaan om bij het maximale toerental aan de norm te voldoen.

EXCENTRICITEIT

Excentriciteit is de afstand in micrometer (μm) tussen het zwaartepunt en het rotatiecentrum.
Excentriciteit veroorzaakt onbalans bij het roteren, hetgeen de spillagers van uw machine belast.
Ook is excentriciteit en onbalans doorgaans niet bevordelijk voor de rondloop van uw gereedschap.

FORMULE
Balanceerklasse = (Excentriciteit x Maximaal toerental) / 9549
G =  (e x N) / 9549

VOORBEELDEN

G2,5 (max. 25.000 RPM) heeft een excentriciteit van 0,9549 μm want (0,9549 * 25000) / 9549 = 2,5
G6,3 (max. 15.000 RPM) heeft een excentriciteit van 4,0106 μm want (4,0106 * 15000) / 9549 = 6,3
G6,3 (max.  8.000 RPM) heeft een excentriciteit van 7,5198 μm want (7,5198 *  8000) / 9549 = 6,3

ONBALANS

De mate van onbalans (dus belasting) neemt toe met de massa (gewicht) van het gereedschap.
Onbalans is namelijk het product van excentriciteit en massa (gewicht) in kilogram: U = e * m
De eenheid is grammilimeter (gmm); vergelijkbaar met de bekende newtonmeter, maar dan veel kleiner.

LET OP !

Met dezelfde balanceerklasse en excentriciteit heeft een zwaardere houder dus toch een grotere onbalans!
Een lange grote houder (zwaar) zal uw spillagers dus ook meer belasten dan een korte kleine houder (licht).